The Dutch Connection
cd the British Connection 
 
Luister naar deze cd >> 

Bekijk de andere cd's >>
Deze cd is in Juni 2010 uitgebracht door Etcetera.

Leo Smit (1900-1943)
Sextuor (1932)

1. Allegro vivace
2. Lento
3. Vivace
fluit-hobo-klarinet-fagot-hoorn-piano

Willem Pijper (1894-1947)
Sextet (1923)
4. Lento
5. Andantino, quasi allegretto
6. Comodo, alla ticinese
7. Vivo, con agrezza
fluit-hobo-klarinet-fagot-hoorn-piano

Rudolf Escher (1912-1980)
Sonata per flauto solo opus 16 (1949)
8. Largo-Vivace-Largo
9. Andante con grazia
10. Molto mosso e grazioso
fluit solo

Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621)
Variations on a folksong ‘Mein junges Leben hat ein End’ (arr. Ernest Lubin)
11. Theme
12. Variation I
13. Variation II
14. Variation III
15. Variation IV
16. Variation V
17. Variation VI
fluit-hobo-klarinet-fagot-hoorn

Judith Shatin (b. 1949)
Ockeghem Variations (2000)
18. Lustrous
19. Ringing
20. Electric
21. Floating
22. Resounding
fluit-hobo-klarinet-fagot-hoorn-piano


The Dutch Connection: van Utrechtsch Sextet tot Hexagon Ensemble

Het sextet van vijf blazers en piano is een kleurrijke combinatie, die tal van componisten heeft geïnspireerd. In de jaren twintig kende Nederland zelfs twee professionele ensembles met deze bezetting: het Utrechtsch Sextet en het Concertgebouw-Sextet. In het Concertgebouw hangt nog altijd een groot schilderij ter herinnering aan het laatste gezelschap, met de vijf soloblazers uit het Concertgebouworkest en pianist Evert Cornelis, die er rond 1920 lid van waren. Naast deze sextetten waren in Nederland nog veel meer blaaskwintetten actief. Vaak werden ze gevormd uit eerste blazers van symfonieorkesten. Zo werden jarenlang zowel uit het Residentie Orkest als uit het Rotterdams Philharmonisch Orkest dergelijke ensembles gevormd. Het bekendste Nederlandse blaaskwintet is het Danzi Kwintet, dat vanaf de jaren vijftig lange tijd een prominente plaats innam in het muziekleven. Het beperkte zich niet tot muziek van rond 1800 maar voerde ook muziek uit van eigentijdse componisten als Jan van Vlijmen, Ton de Leeuw en Peter Schat. Een deel van deze blaaskwintetten werd geregeld uitgebreid met een pianist voor het uitvoeren van sextetten. Met ‘The Dutch Connection’ brengt het Hexagon Ensemble niet alleen een eerbetoon aan Nederlandse componisten van sextetten maar ook aan zijn eigen voorgangers, die ze uitvoerden.

Willem Pijper (1894-1947) schreef zijn Sextet in de winter van 1922-1923 voor het Utrechtsch Sextet, waarvan hijzelf deel uitmaakte als pianist. De vijf blazers waren afkomstig uit het Utrechtsch Stedelijk Orkest, waarin ze eerste lessenaars bezetten. Pijper was, behalve door muziek, van jongs af gefascineerd door de biologie. Die laatste belangstelling klinkt door in zijn ‘kiemceltechniek’. Zoals een plant ontstaat uit één zaadje, wilde Pijper complete werken ontwikkelen uit één kiemcel, een kort muzikaal gegeven, dat vaak bestaat uit vier noten. Een deel van Pijpers werken uit de jaren twintig, waaronder het Septet en de Tweede symfonie, is opgebouwd volgens deze kiemceltechniek. Ook het Sextet is kenmerkend voor deze periode in Pijpers oeuvre. De kiemcel van het Sextet is meteen aan het begin van het eerste deel te horen in de vier noten van de klarinet. Dit motief wordt overgenomen door de andere instrumenten. De overige drie delen zijn eveneens afgeleid van de kiemcel die vaak terugkeert in, om met Pijper te spreken, ‘vele ritmische en coloristische gestalten’. De sfeer van het derde en het vierde deel is beïnvloed door de Italiaanse volksmuziek, in het bijzonder uit Ticino, de streek rond het Lago Maggiore en het meer van Lugano, waar Pijper goede vakantieherinneringen aan bewaarde. De première in Utrecht werd verzorgd door het Utrechtsch Sextet op 23 april 1923, met de componist aan de piano.

Pijper maakte nog tijdens zijn leven naam als één van de belangrijkste Nederlandse componisten van de eerste helft van de twintigste eeuw. Na zijn overlijden zou die reputatie standhouden. De muziek van Leo Smit (1900-1943) was daarentegen lange tijd vergeten. De herwaardering voor zijn composities kwam pas op gang tegen het einde van de jaren tachtig, toen de belangstelling toenam voor de kunstenaars die het slachtoffer zijn geweest van het nazi-regime en dus ook voor Smit, die in 1943 is vermoord in Sobibor. Smits korte leven verdient meer belangstelling dan uitsluitend vanwege zijn tragische levenseinde. Dit bleek pas goed door de opnamen van zijn helaas bescheiden oeuvre, dat in 2000 op vier cd’s werd uitgebracht door Donemus, en de lezenswaardige biografie van de hand van Jurjen Vis, die een jaar later verscheen. Vanaf het einde van de twintigste eeuw dook Smits muziek steeds vaker op in concertprogramma’s, onder andere van het Hexagon Ensemble dat zijn Sextuor op het repertoire nam.

Leo Smit schreef het Sextuor in het begin van de jaren dertig in Parijs, een paar jaar nadat hij zich had gevestigd in de Franse hoofdstad. Dat is goed af te horen aan deze muziek, die associaties oproept met werk van Roussel en leden van de Groupe des Six (vooral Poulenc en Milhaud) en met vroege stukken van Jean Françaix. Getuige de snelle hoekdelen van zijn Sextuor voelde Smit zich vooral aangetrokken tot de lichte, variétéachtige draai die de jongere Franse componisten aan hun muziek wisten te geven. Ook zullen onverwachte wendingen hem hebben aangesproken. In het langzame deel onderbreekt Smit zijn vloeiende betoog met een abrupte overgang naar een fugato. Deze snelle passage eindigt met een climax, waarin een triomfantelijk thema klinkt. Vervolgens wordt het aanvangstempo weer opgepakt. Ook in het slotdeel klinkt een virtuoos fugato. Wie het Hexagon Ensemble op cd of in de zaal heeft gehoord in Poulencs Sextuor zal ook deze lichtere Nederlandse pendant uit dezelfde tijd met een even onmiskenbaar Franse toon willen horen. De première van Smits Sextuor vond op 14 december 1933 plaats in de Kleine Zaal van het Concertgebouw en werd verzorgd door het Concertgebouw Sextet met Eduard van Beinum aan de piano.

Net als Pijper en Smit voelde ook Rudolf Escher (1912-1980) zich sterk verwant met de Franse traditie. Anders dan Leo Smit, die belangstelling had voor de componisten van de Groupe des Six, voelde hij zich vooral aangetrokken tot de serieuzere muziek van Debussy, die hij bewonderde om de muzikale ontwikkeling en de structuur. Wellicht was Debussy’s Syrinx, een kort solostuk voor fluit, een van de inspiratiebronnen voor Eschers grootser opgezette, driedelige Sonate voor fluit. Belangrijk in deze compositie uit 1949 is de op- en neergaande beweging die meteen aan het begin klinkt en die door Huib Ramaer treffend is omschreven als ‘een waaier die open en weer dicht klapt’. In het eerste deel plaatst Escher een jazz-achtig staccato thema tegenover een vloeiend gegeven. Na het ingetogen Andante wordt de stijgende en dalende beweging op luchtiger wijze hervat in een sierlijk slotdeel. Eschers Sonate is opgedragen aan de Amsterdamse fluitist Pieter Odé, die de eerste uitvoering gaf bij de componist thuis. Hubert Barwahser, de solofluitist van het Concertgebouworkest, speelde dit werk in 1951 voor het eerst in het openbaar, in de Kleine Zaal van het Concertgebouw.

Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) genoot in zijn tijd al faam als organist. Zijn nalatenschap als componist bestaat uit vocale werken en klaviermuziek. Het bekendst uit de tweede groep zijn de fraaie variaties op ‘Mein junges Leben hat eind End’ die oorspronkelijk gedacht waren voor klavecimbel. De populariteit van deze compositie is niet alleen af te lezen aan de vele uitvoeringen op klavecimbel en orgel, maar ook aan het grote aantal bewerkingen voor andere instrumenten. Het Hexagon Ensemble koos voor een fraai arrangement voor blaaskwintet dat in 1965 werd uitgegeven door Ernest Lubin.

De titel Ockeghem Variations van de Amerikaanse componiste Judith Shatin (geboren in 1949) doet al vermoeden dat haar muziek dichter bij die van Sweelinck staat dan je op grond van de grote afstand in tijd zou verwachten. Voor haar werk put Shatin vaak inspiratie uit literaire maar ook uit muzikale gegevens. Door haar belangstelling voor de polyfonie van de Renaissance ontdekte zij de muziek van één van Sweelincks voorgangers, de Vlaamse componist Johannes Ockeghem. Het Kyrië uit diens Missa prolationum is het uitgangspunt van de Ockeghem Variations. Vooral in het eerste en het vierde deel probeert Shatin dicht bij de sfeer van Ockeghems muziek te blijven. Anders dan Sweelinck schreef zij geen klassiek variatiewerk. Gegevens uit Ockeghems muziek komen door het gehele werk terug, zij het niet in een opbouwende reeks variaties, maar in vijf afgeronde delen. Shatin schrijft in een geheel eigen, twintigste-eeuws idioom, maar weet op bijzondere wijze de Renaissance-uitstraling van haar vertrekpunt te herscheppen. In het eerste deel lijkt zelfs even de basstem van een luit te horen in de klank van de geprepareerde piano. Shatin benut de specifieke kleurmogelijkheden van elk van de vijf blaasinstrumenten goed, maar combineert ze soms ook in een orgelachtige klank waarin de afzonderlijke instrumenten moeilijk zijn te herkennen. Ockeghem Variations werd gecomponeerd in opdracht van het Hexagon Ensemble, dat op 20 maart 2000 de wereldpremière gaf in het Amsterdamse Concertgebouw.

Niek Nelissen

 
School Joomla Templates and Joomla Tutorials